Anders zijn

Volgens Nancy Alvarado Stone is het anders zijn op zich al een probleem. Net als alle minderheden en bijzondere groepen, moeten hoogbegaafden zich staande houden in een maatschappij die niet is afgestemd op hun behoeften en belangen. De dominante cultuur is niet, of maar deels, de hunne. Aan de ene kant van de medaille zitten volgens Alvarado Stone de voordelen: goed zijn in spelletjes en puzzels, goed kunnen leren, kunnen slagen in allerlei beroepen, een brede interesse hebben en het leven fascinerend vinden. Aan de andere kant zitten de minder leuke dingen. Hoogbegaafdheid wordt lang niet altijd op jonge leeftijd herkend. Wordt het wel herkend, dan is het nog de vraag of opvoeding en onderwijs voldoende op het kind afgestemd worden. Veel hoogbegaafden kunnen in hun jeugd niet laten zien hoe ze werkelijk zijn. Hun - voor hen normale - gedrag stuit op weerstand en veroordeling. Zo leren zij dat bepaalde delen van hun persoonlijkheid niet acceptabel zijn. Dat kan leiden tot onder meer een laag zelfbeeld, onderpresteren, eenzaamheid, perfectionisme of emotionele overgevoeligheid. Deze problemen gaan pas over als iemand al die karaktereigenschappen accepteert en een zelfbeeld als hoogbegaafde ontwikkelt. Als je weet dat je intelligenter bent dan anderen kun je begrijpen dat je problemen met andere mensen misschien komen doordat je een andere woordenschat hebt of abstractere ideeën, of een extreme betrokkenheid die anderen niet hebben. Pas als je zelf snapt hoe je in elkaar zit, kun je een passende plek in de maatschappij vinden (Alvarado, 1990).

Gemiddeld begaafden hebben soms het idee dat hoogbegaafden zich superieur wanen. In werkelijkheid lijden veel hoogbegaafden juist aan een minderwaardigheidscomplex. Hoogbegaafden zijn kritisch, vooral op hun eigen prestaties. Uit onderzoek blijkt: hoe hoger het IQ, hoe kritischer mensen zijn over hun eigen talenten, en hoe meer ze deze onderschatten. Hoogbegaafden vergelijken wat ze weten met alles wat er over een bepaald onderwerp te weten valt. Hun conclusie is dat ze tekort schieten (Silverman, 1986). Ze hanteren hun eigen normen om hun prestaties te waarderen, in plaats van die met de gemiddelde prestaties in hun omgeving te vergelijken. Een perfectionistisch trekje! Het andere eind van het spectrum komt ook regelmatig voor: zeer intelligente kinderen leveren expres middelmatige of lage prestaties op school omdat ze niet teveel buiten de groep willen vallen. Een andere reden kan zijn dat het kind zich niet herkent in de aangeboden stof, en uit verveling of rebellie gaat onderpresteren. Opvallend is dat deze onderpresteerders bij een uitdaging die zij als belangrijk ervaren, bijvoorbeeld een toelatingsexamen voor een vervolgstudie, plotseling wél heel goed presteren (Perleth en Heller, 1994). Daaruit blijkt nog eens extra dat lage cijfers niet altijd een goed beeld geven van het werkelijke niveau van een leerling. Goede herkenning van hoogbegaafdheid zou zittenblijven en afzakken naar lagere schoolniveaus kunnen voorkomen. Er wordt wel aangenomen dat de helft van de (potentieel) hoogbegaafden helemaal nooit wordt herkend (Jurgens, 1991).