Anders denken

Begaafden zijn volgens de theorieën in de basis hetzelfde als de rest van de bevolking, maar zijn sneller en beter in allerlei cognitieve en informatieverwerkende processen. Deze theorieën doen echter geen recht aan het gevoel dat veel hoogbegaafden hebben: dat zij fundamenteel anders in elkaar zitten dan gemiddeld begaafde mensen. De manier van denken van mensen met een zeer hoog IQ lijkt fundamenteel te verschillen van de denkwijze van mensen met een IQ dat dichter bij het gemiddelde zit. Dit IQ is niet simpelweg méér van de intelligentie die iedereen bezit, maar fundamenteel een andere manier van denken. Veel hoogbegaafden kunnen niet alleen sneller denken en meer onthouden, maar hebben een andere manier van leren, een andere manier van problemen benaderen en zij houden zich bezig met andere ideeën (Sternberg en Davidson, 1985).

Maar wát dan precies het verschil maakt tussen de normale manier van denken en de manier van denken van hoogbegaafden, dat is niet duidelijk. Sternberg en Horvath identificeren drie ideeën over het denken van hoogbegaafden. De eerste is de meest eenvoudige en van toepassing op alle hoogbegaafden: de opvatting dat hoogbegaafden dezelfde denkprocessen gebruiken als iedereen, maar dan sneller en accurater. De tweede opvatting gaat over de hoeveelheid kennis die een persoon bezit. Een grote algemene nieuwsgierigheid gecombineerd met een goed geheugen (beide eigenschappen die veel voorkomen onder hoogbegaafden) leidt tot een grote voorraad informatie in het hoofd. Dit vormt voor de eigenaar een belangrijk reservoir om uit te putten bij het oplossen van nieuwe problemen. Maar het is niet duidelijk of deze grote hoeveelheid kennis een gevolg of een oorzaak is van hoogbegaafdheid. Zeker is dat bijna alle intelligentietests een beroep doen op 'aangeleerde' intelligentie. Dat betekent dat zij die veel kennis hebben vergaard, een grotere kans hebben om als hoogbegaafd te worden geclassificeerd. Aan de andere kant blijken hoogbegaafde kinderen niet alleen over meer academische kennis te beschikken dan hun gemiddeld begaafde leeftijdsgenoten, maar ook over meer algemene kennis. Dat wijst weer op een gunstige combinatie van geheugen en nieuwsgierigheid, eigenschappen die moeilijk aan te leren zijn.

De derde opvatting over wat hoogbegaafden onderscheidt van anderen, is de manier waarop hoogbegaafden kennis organiseren in hun hoofd. Uit analyses van de scores behaald bij IQ-tests blijkt dat begaafde en niet-begaafde groepen andere vraag-antwoordpatronen hebben. Gemiddeld begaafde mensen benaderen problemen anders. Zij zijn gevoeliger voor oppervlakkiger kenmerken van problemen. Hoogbegaafden kijken meer naar de onderliggende structuur van de opgaven. Om een idee te geven van het verschil, maken Sternberg en Horvath de vergelijking met twee mensen die Frans leren. De één leert Franse woorden uit een woordenboek en bestudeert een boek over Franse grammatica. De ander gaat naar Frankrijk en is gedwongen met de Fransen te communiceren. Deze persoon kijkt geen woordenboek of grammaticaboek in. Toch is de kans groot dat de tweede succesvoller in het Frans zal communiceren. De eerste persoon weet weliswaar veel woorden en kent de regels van de grammatica, maar weet niet hoe ze in de praktijk flexibel te gebruiken. De tweede persoon heeft minder van dit soort kennis opgeslagen maar heeft de opgedane informatie intern zo georganiseerd dat het bruikbaar is om te communiceren. Deze persoon gaat efficiënt en effectief met de beschikbare kennis om (Sternberg en Horvath, 1998).

Deze laatste visie op kennis heeft ook buiten het veld van het onderzoek naar begaafdheid een grote impact gehad, met name op het onderwijs. Waar vroeger scholieren zoveel mogelijk feiten leerden om een grote hoeveelheid kennis te vergaren, leren kinderen nu meer om hun denken te ontwikkelen, om zelf problemen te identificeren, te begrijpen en op te lossen.